Cobie Frank werd als Jacobus Frank geboren in Rotterdam op 14 juli 1916 en overleed in 1999.
Dat de Joodse bevolking van Rotterdam zich willoos en weerloos liet wegvoeren via Loods 24 is bezijden de waarheid. Toegegeven, het gebeurde vaak wel, vaak ook door de hoop “dat het allemaal wel zou meevallen” of omdat andere familieleden al weggevoerd waren en men hoopte hen weer te treffen.
Cobie Frank was een Joodse meubel- en interieurontwerper. Hij werd opgepakt en kwam terecht in Loods 24. Het lukte hem om uit deze loods te ontsnappen. Hij bleef in Rotterdam en ging tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet. Zo werkte hij voor de illegale pers én overleefde de oorlog. Na de oorlog werd hij journalist voor Het Parool, schrijver, gastdocent en wereldreiziger. Hij schreef over zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog het boek Alsof er niets gebeurd is.
De vader van Cobie Frank was Jonas Frank. Hij werd geboren in Groningen op 27 maart 1887 en zijn moeder was Esther Polak. Zij werd geboren in Rotterdam op 1 januari 1880. Esther kwam uit een Rotterdams geslacht met een winkel in zeemansgoederen op de Schiedamsedijk. Na hun huwelijk openden Jonas en Esther een winkel op het Katshoek. Deze winkel werd na korte tijd verplaatst naar het Strooveer, waar de twee zoons werden geboren, Alphons (Alexander Jacobus, 8 oktober 1913) en Cobie. Cobie werd bij zijn geboorte Claudie genoemd, naar de Hebreeuwse vorm van Jacobus, Claudimous. Beide zoons hebben de oorlog overleefd, de ouders werd vermoord in Auschwitz op 3 september 1942.


De jeugd van Cobie was niet alleen koek en ei. In vooroorlogs Nederland was er zeker sprake van discriminatie van Joodse burgers. Cobie verhaalt in zijn boek er ook van; hij gaat voetballen bij Sparta en komt in het juniorenelftal als linksback. Na een wedstrijd wordt hij door zijn teamgenoten in een wasbak vol pis geduwd. De urine stroomt uit zijn oren, maar hij waste zich elders, vertrok en kwam niet meer voetballen. Een ander voorbeeld was zijn ervaringen met een leraar Frans die zelfs op een fascistische wijze over de Joden sprak.
Ook krijgt hij les van kunstschilder Jan Zweers waarvan later blijkt dat zijn familie NSB-aanhangers zijn; Zweers laat Frank, wanneer ze elkaar gedurende de oorlog ontmoeten en Zweers bij de WA zit, met rust.
Cobie Frank krijgt al voor de oorlog contact met Miriam Cardozo. Ze werden verliefd, en zullen samen de oorlog doorkomen.
Bombardement
Tijdens het bombardement woonde Cobie in het centrum van de stad. Ze maakten het bombardement van nabij mee. Hij zag de bommen massaal op de stad vallen, muren stortten in, ruiten braken overal en er brak brand uit. Het gezin Frank moest vluchten. De Binnenrotte en het Pompenburg staan in brand. Ze liepen over de Karnemelksebrug. De Rottekade stond ook in brand maar in het oosten van de stad is het lichter. Ze liepen langs de Rotte tot ze bij Schiebroek komen. ’s Avonds ging vader terug naar de binnenstad. De winkel bleek ingestort, het Strooveer brandde nog evenals een groot deel van de binnenstad.
Na de oorlog ging in eerste instantie de zaken weer hun oude gang. De zaak van zijn ouders ging weer open, nu als noodwinkel op de Statenweg en zijn eigen zaak op de Mauritsweg draaide ook weer. Al snel kwamen er veranderingen in Nederland. De Jodenster werd ingevoerd, Joden mogen nog gedurende bepaalde tijden inkopen doen – de tijden waren zo gekozen dat al veel was uitverkocht. Klanten probeerden de Joodse middenstanders met allerlei dreigementen af te persen en korting te eisen, en Joodse zaken kregen een Verwalter – een Duitse toezichthouder.
De Franks kregen echter geen Duitse Verwalter maar een Rotterdammer. Gedurende al die tijd was Cobie al lid van een boksclub en daar bleef hij trainen. Een van de eerste keren dat hij iets voor het verzet deed was toen hij een pakketje moest brengen naar het plantsoen bij de Walenburgerweg (met waarschijnlijk wapens erin). Dat mislukte toen hij twee Duitse soldaten tegenkwam bij de Oostervantstraat. Ze vroegen hem het pakket af te geven maar door ervoor te knokken lukte het hem toch om dit pakket naar de bestemming te brengen. De groep waar dit naartoe moest was een studentengroep die in het verzet zat – deze groep werd later opgerold.
Rond dezelfde tijd ontvingen Cobie en Miriam hun oproep om zich te melden in Loods 24. Maar van de Joodsche Raad kregen Alphons en Cobie een vrijstellingskaart waardoor ze er wel zouden moeten werken maar niet op transport zouden gaan. Daarom hebben zij goed gezien hoe het er in Loods 24 toeging. Hele gezinnen meldden zich in de Loods. Er waren kinderen die huilden, anderen speelden tikkertje en mensen hielden zichzelf voor dat men naar een werkkamp zou gaan. Het Duitse dreigement, niet komen opdagen heeft de dood ten gevolge, werkte.
De Loods was luguber. Er hingen twee sterke gloeilampen in het midden. Voor het transport moest men zich in rijen in het midden van de Loods opstellen – ook degene met een vrijstelling. Cobie en Alphons roken onraad en ontkwamen via het donkere achterste deel van de loods. De mensen moesten de Loods uit en dat ging niet zonder geweld, temeer daar de behandeling op dat moment het een aantal mensen duidelijk maakten dat de werkkampen een sprookje waren. Alphons en Cobie hoorden de mensen weggedreven worden en het sluiten van de deuren van de wagons. De trein vertrok…
Via een ladder kwamen Alphons en Cobie op zolder en daar verstopten ze zich onder het stro. Ze bleven daar lange tijd liggen en wanneer ze de loods willen verlaten zit er inmiddels een schildwacht. Deze werd vermoord en gedumpt in de haven.
Pension
Daarna werd het moeilijker om onder te duiken maar het lukte in een pension van mevrouw Jaspers en haar dochter Nora. Deze vrouw had het geld hard nodig en zij verkeerde in de derde fase van syfilis. Dan raken ook de geestelijke vermogens aangetast. Miriam zit inmiddels ondergedoken in het Witte Dorp.
Mevrouw Jaspers bleek (door haar ziekte) zeer onberekenbaar. Ze eiste meer en meer geld. Na drie weken kon hij echter weg, en hij verzocht mevrouw Jaspers de kamer vrij te houden.
Toen werd in Rotterdam het Joods Ziekenhuis leeggehaald en ook het Joods zwakzinnigeninstituut in Hilversum en het Apeldoornse Bos. Cobie voelt nu dat de liquidatie van de Rotterdamse Joden alleen nog maar een kwestie van tijd is.
In augustus 1941 werd Cobie bijna thuis opgepakt maar wist net op tijd te ontkomen en ging terug naar mevrouw Jaspers. Hij probeerde nog contact te krijgen met zijn ouders – maar die zijn dan al op transport. Dat was toen al het geval met het grootste deel van zijn familie. Zelf krieeg hij hulp van een ambtenaar op de afdeling bevolking, die daar zijn kaart licht. Cobie Frank bestond officieel niet meer en er werd minder op hem gejaagd. Cobie en Miriam kregen valse persoonsbewijzen onder de namen van Jacques Franssen en Anna Collins.
Journalistiek
De reden waarom Cobie Frank in de journalistiek rolde is te zoeken in een groot deel van zijn illegale werk. Hij luisterde de buitenlandse radio af en zorgde voor nieuwsbulletins voor de ondergrondse pers. Dit deed hij onder de schuilnaam Argus.
Hij was de Duitsers een doorn in het oog. De schuilnaam Argus preek hoog op het lijstje van de op te pakken verzetsmensen. In eerste instantie wist Cobie niet voor welke organisatie hij de bulletins verzorgt, maar hij kwam er achter zodra hij Het Parool ziet liggen.
Ondertussen verbeterde het verblijf bij mevrouw Jaspers niet. Naast haar tirannieke karakter had ze een enorme geldhonger en nam – vanwege de betaling – steeds meer Joden op. Naast Cobie en Miriam doken ook zijn broer Alphons en zijn vrouw Lisa en hun zoontje, de broer van een longarts en een oude Duitse dame in het pand onder. De hoeveelheid beschikbare ruimte per persoon werd minimaal. Maar ook ging het opvallen voor de buurt. De winkeliers vroegen mevrouw Jaspers hoe ze aan zoveel bonkaarten kwam. Verder verergerde haar ziekte en vooral haar psychische toestand leed daaronder. Het verblijf in de onderduik werd steeds moeilijker. Daarbij kwamen de namen Jacques Franssen en Anna Collins op de lijst van gezochte personen dus een nieuw persoonsbewijs werd nodig.
In september 1944 hadden de Duitsers meer arbeidskrachten nodig in Duitsland om de oorlogsindustrie draaiend te houden. Er kwamen oproepen maar zodra die te weinig opleveren volgen er ook razzia’s. Ook in de straat waar Cobie ondergedoken zit.
De onderduikers zaten inmiddels op zolder en mevrouw Jaspers bijt de Duitsers toe, zodra ze bij haar aanbellen, dat zij en haar dochter de enige bewoners van het huis zijn. De Duitsers trappen erin.
Later moesten Miriam en Cobie de onderduikplaats verlaten. Lida en Alphons kregen een kind en de onderduikplaats werd te klein. Aan de rand van de stad kwamen ze bij familie Van de Voort. De regels die in dit huishouden gelden zijn heftig. Niet in de woonkamer, niet op straat, geen contact met wie dan ook. Geen post én studeren in de bijbel en na een maand zou de dominee langskomen om Cobie en Miriam in te schrijven als gereformeerden. Mevrouw Van de Voort was ook van Joodse afkomst en gereformeerd geworden en in haar ogen was het noodzaak dat alle Joden boete zouden doen omdat het bloed van Christus over het Joodse volk was gekomen. Omdat Cobie en Miriam de bijbel weigerden, moesten ze slapen in de koude en vochtige kelder en kregen ze nauwelijks eten. Het werd zo erg dat Cobie na enkele weken in deze terreur ziek werd en het bewustzijn verloor. Miriam zorgde dat ze er weg kon gaan en ging bij familie Huid in onderduik. Daar bleek dat Cobie 30 kg gewicht verloren is. “Argus” kan er zijn werk weer hervatten en kan schrijven over Peenemunde en Dresden en over het instorten van het Duitse Rijk, dat vanaf eind 1944 begon.
Als het april 1945 is lijkt de oorlog echt ten einde te lopen. De Russen trekken al de Oder over in hun opmars naar Berlijn. De brug over de Rijn bij Remagen is in geallieerde handen. Het Duitse Rijk verschrompelt alhoewel hier en daar fel verzet door de Duitsers wordt geleverd.
Op 2 mei waagt Cobie zich op straat en gaat via de Mathenesserdijk naar Spangen. Onder de Mathenesserbrug kijkt hij of er op de brug controle is, en dat is er. Hij denkt veilig onder de brug te kunnen wachten. Daar blijkt echter een SS’er achter een pijler te staan.
De SS’er vraagt wat hij in zijn tas heeft. “Illegale Blätter”, antwoord Cobie maar de SS’er gelooft dit niet en hij mag doorlopen. De tas was gevuld met het (illegale) Parool.
Vrede?
Op 5 mei was alles voorbij. Nederland haalt adem, rouwt om de doden en viert feest. Maar voor de Joodse overlevenden van de oorlog was alles anders. Het aantal doden in de familie was doorgaans schrikbarend hoog, de huizen waar men woonde en de bezittingen waren vaak weg. En als ze dan in bewaring gegeven waren gebeurde het maar al te vaak dat men dat vergeten was. De term Bewariër kwam niet voor niets in zwang. Cobie kwam bij het Parool te werken. Hij verwerkte er de telexberichten van onder andere Associated Press tot artikelen.
De oud verzetsmensen kwamen ook veel argwaan op hun pad. Met name het linkse verzet moet het dan ontgelden. Ondanks dat het aan de Sovjet Unie te danken was dat een groot deel van Europa bevrijd was, begon nu al de communistenjacht. Cobie wilde vooral de verantwoordelijken in Nederland voor de samenwerking met de nazi’s te pakken krijgen.
Zo waren er Nederlandse ambtenaren die de lijsten hadden samengesteld voor de transporten, er waren talloze NSB-burgemeesters, al dan niet aangesteld door de bezetter. Kortom, een deel van de Nederlanders had zonder meer gecollaboreerd met de bezetter. De artikelen die hij schreef in de krant waren kritisch van toon. Vanuit de redactie werd hem verzocht de toon te matigen. “We krijgen problemen door jouw artikelen”. “Men vindt dat er geen nadruk gelegd moet worden op schandalen en corruptie”. Er werd zelfs geprobeerd om Cobie weg te promoveren naar de Verenigde Staten, door hem daar correspondent te maken. Zijn journalistieke werk, en dan met name het ontmaskeren van misstanden in de oorlog, moest dan wel gekleurd worden – dus hij mocht niet alles meer schrijven.
Cobie Frank weigerde dit en nam ontslag bij Het Parool en ging werken bij een weekblad van oud-verzetsmensen, Strijd.
Twee vragen hebben hem altijd bezig gehouden:
1. Hoe was het mogelijk dat uit Nederland verhoudingsgewijs zoveel meer Joden door de nazi’s gedeporteerd en geliquideerd zijn dan uit andere bezette landen? en
2. Waarom houden wij het trieste record wanneer het gaat om het door het gezag met fluwelen handschoenen aanpakken van tienduizenden landverraders, moordenaars en medeplichtigen?
Dit zijn de vragen die hem de rest van zijn leven bleven bezig houden, hoewel hij er ook in slaagde een aantal misdadigers op te sporen en de bijnaam “Hollandse Simon Wiesenthal kreeg. Het bleven de levensvragen en de drijfveer voor Cobie Frank, tot hij in 1999 overleed.
bron:
Alsof er niets gebeurd is, 1998. Uitgeverij De Vijver isbn 90 76224 03 x.
Bar Mitswah, De Joodsche jeugdkrant; “Betsalel”, jrg 2, 1929-1930, no 17, 25-07-1929. Geraadpleegd op Delpher op 16-08-2021, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=OBA01:022968017:00001.
Stadsarchief Rotterdam, Jonas Frank, 494-03 Archief van de Gemeentesecretarie Rotterdam, afdeling Bevolking: bevolkingsboekhouding van Rotterdam en geannexeerde gemeenten, inventairsnummer 851-138.
illustraties:
Strooveer 1900. Collectie Stadsarchief Rotterdam beeldbank 4029_PBK-6793.
Bar Mitswah, De Joodsche jeugdkrant; “Betsalel”, jrg 2, 1929-1930, no 17, 25-07-1929. Geraadpleegd op Delpher op 16-08-2021, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=OBA01:022968017:00001.
gepubliceerd:
2 maart 2016
laatst bijgewerkt:
9 maart 2025